Al-Hijr

سورة الحجر

Soera 15 · Mekkaans · 99 verzen

15:1Djoez 14 · p. 262

الر ۚ تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ وَقُرْآنٍ مُبِينٍ1

E. L. R. Dit zijn de teekens van het boek en van den duidelijken Koran.
15:2Djoez 14 · p. 262

رُبَمَا يَوَدُّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْ كَانُوا مُسْلِمِينَ2

De tijd zal komen, waarop de ongeloovigen zullen wenschen, dat zij Moslems mochten zijn geweest.
15:3Djoez 14 · p. 262

ذَرْهُمْ يَأْكُلُوا وَيَتَمَتَّعُوا وَيُلْهِهِمُ الْأَمَلُ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ3

Sta hun toe te eten en te genieten in deze wereld, en laat hun hoop voeden; doch hierna zullen zij hunne dwaasheid kennen.
15:4Djoez 14 · p. 262

وَمَا أَهْلَكْنَا مِنْ قَرْيَةٍ إِلَّا وَلَهَا كِتَابٌ مَعْلُومٌ4

Wij hebben geene stad verwoest, zonder dat een vastgestelde tijd van berouw voor haar bepaald werd.
15:5Djoez 14 · p. 262

مَا تَسْبِقُ مِنْ أُمَّةٍ أَجَلَهَا وَمَا يَسْتَأْخِرُونَ5

Geen volk zal gestraft worden voordat zijn tijd zal zijn gekomen, en deze zal niet worden verschoven.
15:6Djoez 14 · p. 262

وَقَالُوا يَا أَيُّهَا الَّذِي نُزِّلَ عَلَيْهِ الذِّكْرُ إِنَّكَ لَمَجْنُونٌ6

De bewoners van Mekka zeggen tot Mahomet: O gij! wien de vermaning werd nedergezonden, gij zijt zekerlijk door den duivel bezeten.
15:7Djoez 14 · p. 262

لَوْ مَا تَأْتِينَا بِالْمَلَائِكَةِ إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ7

Zoudt gij niet met een gevolg van engelen tot ons zijn gekomen, indien gij de waarheid hadt gesproken?
15:8Djoez 14 · p. 262

مَا نُنَزِّلُ الْمَلَائِكَةَ إِلَّا بِالْحَقِّ وَمَا كَانُوا إِذًا مُنْظَرِينَ8

Antwoord: Wij zenden geene engelen neder, dan bij eene voegzame gelegenheid. Dan zullen de ongeloovigen niet meer worden uitgesteld.
15:9Djoez 14 · p. 262

إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ9

Waarlijk, wij hebben den Koran nedergezonden, en wij zullen dien zekerlijk voor vervalsching behoeden.
15:10Djoez 14 · p. 262

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مِنْ قَبْلِكَ فِي شِيَعِ الْأَوَّلِينَ10

Wij hebben vroeger, vóór u, gezanten tot de oude secten gezonden.
15:11Djoez 14 · p. 262

وَمَا يَأْتِيهِمْ مِنْ رَسُولٍ إِلَّا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ11

En er kwam geen gezant tot hen, dien zij niet tot het voorwerp hunner spotternijen maakten.
15:12Djoez 14 · p. 262

كَذَٰلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ12

Evenzoo zullen wij de harten der zondige bewoners van Mekka er toe brengen, hunnen profeet te bespotten.
15:13Djoez 14 · p. 262

لَا يُؤْمِنُونَ بِهِ ۖ وَقَدْ خَلَتْ سُنَّةُ الْأَوَّلِينَ13

Zij zullen niet in hem gelooven niettegenstaande de straf der volkeren reeds vroeger werd uitgevoerd.
15:14Djoez 14 · p. 262

وَلَوْ فَتَحْنَا عَلَيْهِمْ بَابًا مِنَ السَّمَاءِ فَظَلُّوا فِيهِ يَعْرُجُونَ14

Indien wij hun de poorten der hemelen zouden ontsluiten, en zij reeds gereed zouden zijn daar binnen te gaan.
15:15Djoez 14 · p. 262

لَقَالُوا إِنَّمَا سُكِّرَتْ أَبْصَارُنَا بَلْ نَحْنُ قَوْمٌ مَسْحُورُونَ15

Zouden zij veeleer uitroepen: Onze oogen zijn slechts verblind door dronkenschap, of wij bevinden ons onder den indruk eener zinsbeguicheling.
15:16Djoez 14 · p. 263

وَلَقَدْ جَعَلْنَا فِي السَّمَاءِ بُرُوجًا وَزَيَّنَّاهَا لِلنَّاظِرِينَ16

Wij hebben de twaalf teekens in den hemel geplaatst en die in verschillende vormen voorgesteld voor hen, die acht geven.
15:17Djoez 14 · p. 263

وَحَفِظْنَاهَا مِنْ كُلِّ شَيْطَانٍ رَجِيمٍ17

Wij verdedigen deze tegen de aanslagen van iederen duivel welke met steenworpen werd teruggedreven.
15:18Djoez 14 · p. 263

إِلَّا مَنِ اسْتَرَقَ السَّمْعَ فَأَتْبَعَهُ شِهَابٌ مُبِينٌ18

Behalve hij, die aansluipt om te luisteren, en op wien dan eene zichtbare vlam wordt afgeschoten.
15:19Djoez 14 · p. 263

وَالْأَرْضَ مَدَدْنَاهَا وَأَلْقَيْنَا فِيهَا رَوَاسِيَ وَأَنْبَتْنَا فِيهَا مِنْ كُلِّ شَيْءٍ مَوْزُونٍ19

Wij hebben ook de aarde uitgespreid en vaste bergen daarop geplaatst, en wij hebben alle planten in eene bewonderingswaardige orde daaruit doen spruiten.
15:20Djoez 14 · p. 263

وَجَعَلْنَا لَكُمْ فِيهَا مَعَايِشَ وَمَنْ لَسْتُمْ لَهُ بِرَازِقِينَ20

En wij hebben daarop levensbehoeften voor u geplaatst en voor de wezens, welke gij niet onderhoudt.
15:21Djoez 14 · p. 263

وَإِنْ مِنْ شَيْءٍ إِلَّا عِنْدَنَا خَزَائِنُهُ وَمَا نُنَزِّلُهُ إِلَّا بِقَدَرٍ مَعْلُومٍ21

Er is geene zaak, waarvan de voorraadschuren niet in onze handen zijn, en wij deelen die slechts in eene bepaalde mate uit.
15:22Djoez 14 · p. 263

وَأَرْسَلْنَا الرِّيَاحَ لَوَاقِحَ فَأَنْزَلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَسْقَيْنَاكُمُوهُ وَمَا أَنْتُمْ لَهُ بِخَازِنِينَ22

Wij zenden ook de winden, die de bezwangerde wolken voortstuwen en wij zenden water van den hemel waarvan wij u geven te drinken, en hetwelk gij niet bewaart.
15:23Djoez 14 · p. 263

وَإِنَّا لَنَحْنُ نُحْيِي وَنُمِيتُ وَنَحْنُ الْوَارِثُونَ23

Waarlijk, wij geven leven en doen sterven, en wij zijn de erfgenamen van alle dingen.
15:24Djoez 14 · p. 263

وَلَقَدْ عَلِمْنَا الْمُسْتَقْدِمِينَ مِنْكُمْ وَلَقَدْ عَلِمْنَا الْمُسْتَأْخِرِينَ24

Wij kennen hen die vooruit gaan, en wij kennen hen die achterblijven.
15:25Djoez 14 · p. 263

وَإِنَّ رَبَّكَ هُوَ يَحْشُرُهُمْ ۚ إِنَّهُ حَكِيمٌ عَلِيمٌ25

En uw Heer zal hen op den laatsten dag verzamelen; want hij is alwetend en wijs.
15:26Djoez 14 · p. 263

وَلَقَدْ خَلَقْنَا الْإِنْسَانَ مِنْ صَلْصَالٍ مِنْ حَمَإٍ مَسْنُونٍ26

Wij schiepen den mensch van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gebracht.
15:27Djoez 14 · p. 263

وَالْجَانَّ خَلَقْنَاهُ مِنْ قَبْلُ مِنْ نَارِ السَّمُومِ27

Vóór hem hadden wij reeds de geniussen uit een fijn vuur gemaakt.
15:28Djoez 14 · p. 263

وَإِذْ قَالَ رَبُّكَ لِلْمَلَائِكَةِ إِنِّي خَالِقٌ بَشَرًا مِنْ صَلْصَالٍ مِنْ حَمَإٍ مَسْنُونٍ28

En gedenk, toen de Heer tot de engelen zeide: Waarlijk, ik heb den mensch geschapen van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gebracht.
15:29Djoez 14 · p. 263

فَإِذَا سَوَّيْتُهُ وَنَفَخْتُ فِيهِ مِنْ رُوحِي فَقَعُوا لَهُ سَاجِدِينَ29

Als ik hem dus volkomen gevormd en mijn geest in hem geblazen zal hebben zult gij dan voor hem nedervallen en hem aanbidden?
15:30Djoez 14 · p. 263

فَسَجَدَ الْمَلَائِكَةُ كُلُّهُمْ أَجْمَعُونَ30

En al de engelen baden Adam gezamenlijk aan.
15:31Djoez 14 · p. 263

إِلَّا إِبْلِيسَ أَبَىٰ أَنْ يَكُونَ مَعَ السَّاجِدِينَ31

Behalve Eblis, die weigerde met hen te zijn, welke hem aanbaden.
15:32Djoez 14 · p. 264

قَالَ يَا إِبْلِيسُ مَا لَكَ أَلَّا تَكُونَ مَعَ السَّاجِدِينَ32

En God zeide tot hem: Wat verhindert u met degenen te zijn, die Adam aanbidden?
15:33Djoez 14 · p. 264

قَالَ لَمْ أَكُنْ لِأَسْجُدَ لِبَشَرٍ خَلَقْتَهُ مِنْ صَلْصَالٍ مِنْ حَمَإٍ مَسْنُونٍ33

Hij antwoordde: Ik zal den mensch niet aanbidden; dien gij gevormd hebt van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gekneed.
15:34Djoez 14 · p. 264

قَالَ فَاخْرُجْ مِنْهَا فَإِنَّكَ رَجِيمٌ34

God zeide: Ga dus heen; want gij zult met steenen verdreven worden.
15:35Djoez 14 · p. 264

وَإِنَّ عَلَيْكَ اللَّعْنَةَ إِلَىٰ يَوْمِ الدِّينِ35

En een vloek zal op u rusten tot op den dag des oordeels.
15:36Djoez 14 · p. 264

قَالَ رَبِّ فَأَنْظِرْنِي إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ36

De duivel zeide: O Heer! geef mij uitstel tot den dag der opstanding.
15:37Djoez 14 · p. 264

قَالَ فَإِنَّكَ مِنَ الْمُنْظَرِينَ37

God antwoordde: Waarlijk, gij zult tot hen behooren, die uitstel hebben verkregen.
15:38Djoez 14 · p. 264

إِلَىٰ يَوْمِ الْوَقْتِ الْمَعْلُومِ38

Tot den dag van den bepaalden tijd.
15:39Djoez 14 · p. 264

قَالَ رَبِّ بِمَا أَغْوَيْتَنِي لَأُزَيِّنَنَّ لَهُمْ فِي الْأَرْضِ وَلَأُغْوِيَنَّهُمْ أَجْمَعِينَ39

De duivel (Eblis) antwoordde: Omdat gij mij hebt nedergeworpen, zal ik het kwade behagelijk voor den mensch maken, en hen allen verleiden.
15:40Djoez 14 · p. 264

إِلَّا عِبَادَكَ مِنْهُمُ الْمُخْلَصِينَ40

Uwe oprechte dienaren zullen alleen gespaard worden.
15:41Djoez 14 · p. 264

قَالَ هَٰذَا صِرَاطٌ عَلَيَّ مُسْتَقِيمٌ41

God zeide: Dit is de rechte weg.
15:42Djoez 14 · p. 264

إِنَّ عِبَادِي لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَانٌ إِلَّا مَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْغَاوِينَ42

Wat mijne dienaren betreft, gij zult geene macht over hen hebben; maar alleen over hen, die verleid zullen worden en die u zullen volgen.
15:43Djoez 14 · p. 264

وَإِنَّ جَهَنَّمَ لَمَوْعِدُهُمْ أَجْمَعِينَ43

De hel is zekerlijk voor hen allen bestemd.
15:44Djoez 14 · p. 264

لَهَا سَبْعَةُ أَبْوَابٍ لِكُلِّ بَابٍ مِنْهُمْ جُزْءٌ مَقْسُومٌ44

Zij heeft zeven ingangen; voor iederen ingang zal een bijzonder aantal hunner worden aangewezen.
15:45Djoez 14 · p. 264

إِنَّ الْمُتَّقِينَ فِي جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ45

Maar zij, die God vreezen, zullen in tuinen wonen, te midden van fonteinen.
15:46Djoez 14 · p. 264

ادْخُلُوهَا بِسَلَامٍ آمِنِينَ46

De engelen zullen tot hen zeggen: Treedt hier binnen in vrede en zekerheid.
15:47Djoez 14 · p. 264

وَنَزَعْنَا مَا فِي صُدُورِهِمْ مِنْ غِلٍّ إِخْوَانًا عَلَىٰ سُرُرٍ مُتَقَابِلِينَ47

Wij zullen alle valschheid uit hunne harten wegnemen. Zij zullen als broeders zijn, en tegen over elkander zitten op rustbanken.
15:48Djoez 14 · p. 264

لَا يَمَسُّهُمْ فِيهَا نَصَبٌ وَمَا هُمْ مِنْهَا بِمُخْرَجِينَ48

Geene vermoeienis zal hen kwellen, en nimmer zullen zij uit die woonplaats worden geworpen.
15:49Djoez 14 · p. 264

۞ نَبِّئْ عِبَادِي أَنِّي أَنَا الْغَفُورُ الرَّحِيمُ49

Verklaar mijne dienaren, dat ik de genadige, de barmhartige God ben.
15:50Djoez 14 · p. 264

وَأَنَّ عَذَابِي هُوَ الْعَذَابُ الْأَلِيمُ50

En dat mijne straf eene gestrenge straf is.
15:51Djoez 14 · p. 264

وَنَبِّئْهُمْ عَنْ ضَيْفِ إِبْرَاهِيمَ51

En verhaal hun de geschiedenis van de gasten van Abraham.
15:52Djoez 14 · p. 265

إِذْ دَخَلُوا عَلَيْهِ فَقَالُوا سَلَامًا قَالَ إِنَّا مِنْكُمْ وَجِلُونَ52

Toen zij bij hem binnentraden en hem groetten, zeide hij: Gij hebt ons bevreesd gemaakt.
15:53Djoez 14 · p. 265

قَالُوا لَا تَوْجَلْ إِنَّا نُبَشِّرُكَ بِغُلَامٍ عَلِيمٍ53

En zij antwoordden: Vrees niets: wij brengen u de belofte van een wijzen zoon.
15:54Djoez 14 · p. 265

قَالَ أَبَشَّرْتُمُونِي عَلَىٰ أَنْ مَسَّنِيَ الْكِبَرُ فَبِمَ تُبَشِّرُونَ54

Hij zeide: Brengt gij mij de belofte van een zoon, nu ik oud geworden ben? Wat verhaalt gij mij derhalve?
15:55Djoez 14 · p. 265

قَالُوا بَشَّرْنَاكَ بِالْحَقِّ فَلَا تَكُنْ مِنَ الْقَانِطِينَ55

Zij zeiden: Wij hebben u de waarheid verhaald; wanhoop dus niet.
15:56Djoez 14 · p. 265

قَالَ وَمَنْ يَقْنَطُ مِنْ رَحْمَةِ رَبِّهِ إِلَّا الضَّالُّونَ56

Hij antwoordde: En wie wanhoopt aan Gods genade, behalve zij die dwalen?
15:57Djoez 14 · p. 265

قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا الْمُرْسَلُونَ57

En hij zeide: Wat is dus uwe zending, o gezanten van God?
15:58Djoez 14 · p. 265

قَالُوا إِنَّا أُرْسِلْنَا إِلَىٰ قَوْمٍ مُجْرِمِينَ58

Zij antwoordden: Waarlijk, wij werden gezonden om een zondig volk te verdelgen.
15:59Djoez 14 · p. 265

إِلَّا آلَ لُوطٍ إِنَّا لَمُنَجُّوهُمْ أَجْمَعِينَ59

Maar wat de leden van Lots gezin betreft, zullen wij allen redden.
15:60Djoez 14 · p. 265

إِلَّا امْرَأَتَهُ قَدَّرْنَا ۙ إِنَّهَا لَمِنَ الْغَابِرِينَ60

Uitgenomen zijne vrouw. Wij hebben besloten, dat zij zal achterblijven om met de ongeloovigen te worden verwoest.
15:61Djoez 14 · p. 265

فَلَمَّا جَاءَ آلَ لُوطٍ الْمُرْسَلُونَ61

En toen de boodschappers tot het gezin van Lot kwamen,
15:62Djoez 14 · p. 265

قَالَ إِنَّكُمْ قَوْمٌ مُنْكَرُونَ62

Zeide hij tot hen: Waarlijk, gij zijt een volk, dat mij onbekend is.
15:63Djoez 14 · p. 265

قَالُوا بَلْ جِئْنَاكَ بِمَا كَانُوا فِيهِ يَمْتَرُونَ63

Zij antwoordden: Maar wij zijn tot u gekomen om de straf uit te voeren, waaromtrent uwe medeburgers in twijfel verkeeren.
15:64Djoez 14 · p. 265

وَأَتَيْنَاكَ بِالْحَقِّ وَإِنَّا لَصَادِقُونَ64

Wij verhalen u eene zekere waarheid, en wij zijn gezanten der waarheid.
15:65Djoez 14 · p. 265

فَأَسْرِ بِأَهْلِكَ بِقِطْعٍ مِنَ اللَّيْلِ وَاتَّبِعْ أَدْبَارَهُمْ وَلَا يَلْتَفِتْ مِنْكُمْ أَحَدٌ وَامْضُوا حَيْثُ تُؤْمَرُونَ65

Breng dus uw gezin gedurende den nacht weg, en volg gij achter hen; en laat zich niemand uwer omkeeren, maar ga waarheen men u beveelt.
15:66Djoez 14 · p. 265

وَقَضَيْنَا إِلَيْهِ ذَٰلِكَ الْأَمْرَ أَنَّ دَابِرَ هَٰؤُلَاءِ مَقْطُوعٌ مُصْبِحِينَ66

En wij gaven hem dit bevel, daar dit volk, tot op den laatsten man, vóór den volgenden dag moest zijn verdelgd.
15:67Djoez 14 · p. 265

وَجَاءَ أَهْلُ الْمَدِينَةِ يَسْتَبْشِرُونَ67

En de bewoners der stad kwamen tot Lot, zich verblijdende in het nieuws der aankomst van vreemdelingen.
15:68Djoez 14 · p. 265

قَالَ إِنَّ هَٰؤُلَاءِ ضَيْفِي فَلَا تَفْضَحُونِ68

En hij zeide tot hen: Waarlijk, dit zijn mijne gasten; doe mij dus niet in ongenade vervallen, door hen te misbruiken.
15:69Djoez 14 · p. 265

وَاتَّقُوا اللَّهَ وَلَا تُخْزُونِ69

Maar vreest God en bedekt mij niet met schande.
15:70Djoez 14 · p. 265

قَالُوا أَوَلَمْ نَنْهَكَ عَنِ الْعَالَمِينَ70

Zij antwoordden: Hebben wij u niet verboden een mensch te ondersteunen?
15:71Djoez 14 · p. 266

قَالَ هَٰؤُلَاءِ بَنَاتِي إِنْ كُنْتُمْ فَاعِلِينَ71

Lot hernam: Dit zijn mijne dochters, maak dus eerder van haar gebruik, indien gij vast besloten hebt nopens hetgeen gij wilt doen.
15:72Djoez 14 · p. 266

لَعَمْرُكَ إِنَّهُمْ لَفِي سَكْرَتِهِمْ يَعْمَهُونَ72

Zoo waar gij leeft, zij dwaalden in beschonkenheid.
15:73Djoez 14 · p. 266

فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ مُشْرِقِينَ73

Daarom overviel hun een vreeselijke storm van den hemel, bij het opgaan der zon.
15:74Djoez 14 · p. 266

فَجَعَلْنَا عَالِيَهَا سَافِلَهَا وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِمْ حِجَارَةً مِنْ سِجِّيلٍ74

En wij keerden de stad ten onderste boven en lieten er een regen op nedervallen van steenen uit gebakken klei.
15:75Djoez 14 · p. 266

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِلْمُتَوَسِّمِينَ75

Waarlijk, daarin zijn teekens voor de menschen, die deze aandachtig nagaan.
15:76Djoez 14 · p. 266

وَإِنَّهَا لَبِسَبِيلٍ مُقِيمٍ76

En deze steden werden gestraft, tot het banen van een rechten weg voor den mensch, om dien te bewandelen.
15:77Djoez 14 · p. 266

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لِلْمُؤْمِنِينَ77

Waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.
15:78Djoez 14 · p. 266

وَإِنْ كَانَ أَصْحَابُ الْأَيْكَةِ لَظَالِمِينَ78

De bewoners van het bosch van Midian waren mede goddeloos.
15:79Djoez 14 · p. 266

فَانْتَقَمْنَا مِنْهُمْ وَإِنَّهُمَا لَبِإِمَامٍ مُبِينٍ79

Daarom namen wij wraak op hen. En zij werden beide verdelgd, om als een duidelijk voorbeeld te dienen voor de menschen, ten einde daarnaar hunne daden te richten.
15:80Djoez 14 · p. 266

وَلَقَدْ كَذَّبَ أَصْحَابُ الْحِجْرِ الْمُرْسَلِينَ80

En de bewoners van Al Hedjr beschuldigden Gods gezanten eveneens van bedrog.
15:81Djoez 14 · p. 266

وَآتَيْنَاهُمْ آيَاتِنَا فَكَانُوا عَنْهَا مُعْرِضِينَ81

En wij toonden hun onze teekens; maar zij wendden zich ver daarvan af.
15:82Djoez 14 · p. 266

وَكَانُوا يَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا آمِنِينَ82

Zij hieuwen huizen in de bergen uit om zich te beveiligen.
15:83Djoez 14 · p. 266

فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ مُصْبِحِينَ83

Maar een vreeselijk onweder van den hemel overviel hen des morgens.
15:84Djoez 14 · p. 266

فَمَا أَغْنَىٰ عَنْهُمْ مَا كَانُوا يَكْسِبُونَ84

Wat zij gedaan hadden, was volstrekt niet voordeelig voor hen.
15:85Djoez 14 · p. 266

وَمَا خَلَقْنَا السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا إِلَّا بِالْحَقِّ ۗ وَإِنَّ السَّاعَةَ لَآتِيَةٌ ۖ فَاصْفَحِ الصَّفْحَ الْجَمِيلَ85

Wij hebben de hemelen en de aarde, en wat zich daartusschen bevindt, niet dan in onrechtvaardigheid en niet te vergeefs geschapen, en het uur des oordeels zal zekerlijk komen. Vergeef dus uw volk, o Mahomet! met eene barmhartige vergiffenis.
15:86Djoez 14 · p. 266

إِنَّ رَبَّكَ هُوَ الْخَلَّاقُ الْعَلِيمُ86

Waarlijk, uw Heer is de schepper van u en van hen, en weet wat het nuttigste is.
15:87Djoez 14 · p. 266

وَلَقَدْ آتَيْنَاكَ سَبْعًا مِنَ الْمَثَانِي وَالْقُرْآنَ الْعَظِيمَ87

Wij hebben u reeds zeven verzen gebracht, die dikwijls moesten worden herhaald, en den heerlijken Koran.
15:88Djoez 14 · p. 266

لَا تَمُدَّنَّ عَيْنَيْكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعْنَا بِهِ أَزْوَاجًا مِنْهُمْ وَلَا تَحْزَنْ عَلَيْهِمْ وَاخْفِضْ جَنَاحَكَ لِلْمُؤْمِنِينَ88

Werp uwe blikken niet op de goede dingen, welke wij aan onderscheidenen der ongeloovigen hebben geschonken, en begeer die niet. Wees nimmer bedroefd over hen. Gedraag u zachtmoedig omtrent de ware geloovigen.
15:89Djoez 14 · p. 266

وَقُلْ إِنِّي أَنَا النَّذِيرُ الْمُبِينُ89

Zeg hun: Waarlijk, ik ben een openbaar prediker.
15:90Djoez 14 · p. 266

كَمَا أَنْزَلْنَا عَلَى الْمُقْتَسِمِينَ90

Indien zij niet gelooven, zullen wij hun eene gelijke straf opleggen, als aan de verdeelers.
15:91Djoez 14 · p. 267

الَّذِينَ جَعَلُوا الْقُرْآنَ عِضِينَ91

Die den Koran in verschillende deelen onderscheiden.
15:92Djoez 14 · p. 267

فَوَرَبِّكَ لَنَسْأَلَنَّهُمْ أَجْمَعِينَ92

Want door uw Heer, o Mahomet! zullen wij hen ondervragen.
15:93Djoez 14 · p. 267

عَمَّا كَانُوا يَعْمَلُونَ93

Nopens al hunne daden.
15:94Djoez 14 · p. 267

فَاصْدَعْ بِمَا تُؤْمَرُ وَأَعْرِضْ عَنِ الْمُشْرِكِينَ94

Openbaar dus wat u werd bevolen en, wend u af van de afgodendienaars.
15:95Djoez 14 · p. 267

إِنَّا كَفَيْنَاكَ الْمُسْتَهْزِئِينَ95

Wij zullen u zekerlijk bijstaan tegen de spotters.
15:96Djoez 14 · p. 267

الَّذِينَ يَجْعَلُونَ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ ۚ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ96

Die een anderen God met God vereenigen. Zij zullen zekerlijk hunne dwaasheid kennen.
15:97Djoez 14 · p. 267

وَلَقَدْ نَعْلَمُ أَنَّكَ يَضِيقُ صَدْرُكَ بِمَا يَقُولُونَ97

En wij weten, dat gij diep gegriefd zijt door het verhaal van hetgeen zij zeggen.
15:98Djoez 14 · p. 267

فَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ وَكُنْ مِنَ السَّاجِدِينَ98

Maar verheerlijk den lof van uwen Heer en aanbid hem.
15:99Djoez 14 · p. 267

وَاعْبُدْ رَبَّكَ حَتَّىٰ يَأْتِيَكَ الْيَقِينُ99

En dien uwen Heer, tot de dood u overvalt.

Afspelen vanaf het begin van de soera

Muhammad Abdulkarim - Al-Hijr · Tlawati