An-Nas

سورة الناس

Soera 114 · Mekkaans · 6 verzen

114:1 · An-NasDjoez 30 · p. 604

قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ النَّاسِ1

Zeg: Ik zoek mijne toevlucht bij den Heer der menschen,
114:2Djoez 30 · p. 604

مَلِكِ النَّاسِ2

Den Koning der menschen,
114:3Djoez 30 · p. 604

إِلَٰهِ النَّاسِ3

Den God der menschen;
114:4Djoez 30 · p. 604

مِنْ شَرِّ الْوَسْوَاسِ الْخَنَّاسِ4

Dat hij mij bevrijde van de boosheid van den luisteraar, die snoode gedachten inblaast en zich dan verborgen terugtrekt.
114:5Djoez 30 · p. 604

الَّذِي يُوَسْوِسُ فِي صُدُورِ النَّاسِ5

Die kwaade ingevingen der menschen aan de harten toefluistert.
114:6Djoez 30 · p. 604

مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ6

Tegen de geniussen en de menschen.

Afspelen vanaf het begin van de soera