Al-Masad

سورة المسد

Soera 111 · Mekkaans · 5 verzen

111:1Djoez 30 · p. 603

تَبَّتْ يَدَا أَبِي لَهَبٍ وَتَبَّ1

De handen van Aboe Lahab zullen ten verderve gaan, en hij zelf verdorven worden.
111:2Djoez 30 · p. 603

مَا أَغْنَىٰ عَنْهُ مَالُهُ وَمَا كَسَبَ2

Zijne rijkdommen zullen hem van geen voordeel zijn, noch datgene wat hij heeft gewonnen.
111:3Djoez 30 · p. 603

سَيَصْلَىٰ نَارًا ذَاتَ لَهَبٍ3

Hij zal heengaan om in het vuur verbrand te worden.
111:4Djoez 30 · p. 603

وَامْرَأَتُهُ حَمَّالَةَ الْحَطَبِ4

Als ook zijne vrouw, die hout draagt.
111:5Djoez 30 · p. 603

فِي جِيدِهَا حَبْلٌ مِنْ مَسَدٍ5

Terwijl zij om haren hals eene koord van geweven vezelen van den palmboom heeft.

Afspelen vanaf het begin van de soera

Hani Ar-Rifai - Al-Masad · Tlawati