طسم1
تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ الْمُبِينِ2
Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.
لَعَلَّكَ بَاخِعٌ نَفْسَكَ أَلَّا يَكُونُوا مُؤْمِنِينَ3
Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van Mekka niet geloovig willen worden.
إِنْ نَشَأْ نُنَزِّلْ عَلَيْهِمْ مِنَ السَّمَاءِ آيَةً فَظَلَّتْ أَعْنَاقُهُمْ لَهَا خَاضِعِينَ4
Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.
وَمَا يَأْتِيهِمْ مِنْ ذِكْرٍ مِنَ الرَّحْمَٰنِ مُحْدَثٍ إِلَّا كَانُوا عَنْهُ مُعْرِضِينَ5
Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.
فَقَدْ كَذَّبُوا فَسَيَأْتِيهِمْ أَنْبَاءُ مَا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ6
En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.
أَوَلَمْ يَرَوْا إِلَى الْأَرْضِ كَمْ أَنْبَتْنَا فِيهَا مِنْ كُلِّ زَوْجٍ كَرِيمٍ7
Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ8
Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ9
Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.
وَإِذْ نَادَىٰ رَبُّكَ مُوسَىٰ أَنِ ائْتِ الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ10
Herdenk, toen uw Heer Mozes riep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:
قَوْمَ فِرْعَوْنَ ۚ أَلَا يَتَّقُونَ11
Het volk van Pharao. Zullen zij mij niet vreezen?
قَالَ رَبِّ إِنِّي أَخَافُ أَنْ يُكَذِّبُونِ12
Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.
وَيَضِيقُ صَدْرِي وَلَا يَنْطَلِقُ لِسَانِي فَأَرْسِلْ إِلَىٰ هَارُونَ13
En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken; wijs Aäron dus aan om mijn helper te wezen.
وَلَهُمْ عَلَيَّ ذَنْبٌ فَأَخَافُ أَنْ يَقْتُلُونِ14
Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.
قَالَ كَلَّا ۖ فَاذْهَبَا بِآيَاتِنَا ۖ إِنَّا مَعَكُمْ مُسْتَمِعُونَ15
God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.
فَأْتِيَا فِرْعَوْنَ فَقُولَا إِنَّا رَسُولُ رَبِّ الْعَالَمِينَ16
Gaat dus tot Pharao en zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant van den Heer van alle schepselen.
أَنْ أَرْسِلْ مَعَنَا بَنِي إِسْرَائِيلَ17
Zend de kinderen Israëls met ons weg.
قَالَ أَلَمْ نُرَبِّكَ فِينَا وَلِيدًا وَلَبِثْتَ فِينَا مِنْ عُمُرِكَ سِنِينَ18
En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond?
وَفَعَلْتَ فَعْلَتَكَ الَّتِي فَعَلْتَ وَأَنْتَ مِنَ الْكَافِرِينَ19
Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.
قَالَ فَعَلْتُهَا إِذًا وَأَنَا مِنَ الضَّالِّينَ20
Mozes hernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden.
فَفَرَرْتُ مِنْكُمْ لَمَّا خِفْتُكُمْ فَوَهَبَ لِي رَبِّي حُكْمًا وَجَعَلَنِي مِنَ الْمُرْسَلِينَ21
Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.
وَتِلْكَ نِعْمَةٌ تَمُنُّهَا عَلَيَّ أَنْ عَبَّدْتَ بَنِي إِسْرَائِيلَ22
En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderen Israëls tot slaven maaktet?
قَالَ فِرْعَوْنُ وَمَا رَبُّ الْعَالَمِينَ23
Pharao zeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?
قَالَ رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ إِنْ كُنْتُمْ مُوقِنِينَ24
Mozes antwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.
قَالَ لِمَنْ حَوْلَهُ أَلَا تَسْتَمِعُونَ25
Pharao zeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?
قَالَ رَبُّكُمْ وَرَبُّ آبَائِكُمُ الْأَوَّلِينَ26
Mozes zeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.
قَالَ إِنَّ رَسُولَكُمُ الَّذِي أُرْسِلَ إِلَيْكُمْ لَمَجْنُونٌ27
Pharao zeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten.
قَالَ رَبُّ الْمَشْرِقِ وَالْمَغْرِبِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ إِنْ كُنْتُمْ تَعْقِلُونَ28
Mozes zeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.
قَالَ لَئِنِ اتَّخَذْتَ إِلَٰهًا غَيْرِي لَأَجْعَلَنَّكَ مِنَ الْمَسْجُونِينَ29
Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn.
قَالَ أَوَلَوْ جِئْتُكَ بِشَيْءٍ مُبِينٍ30
Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?
قَالَ فَأْتِ بِهِ إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ31
Pharao hernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.
فَأَلْقَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ ثُعْبَانٌ مُبِينٌ32
En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.
وَنَزَعَ يَدَهُ فَإِذَا هِيَ بَيْضَاءُ لِلنَّاظِرِينَ33
En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,
قَالَ لِلْمَلَإِ حَوْلَهُ إِنَّ هَٰذَا لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ34
Pharao zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.
يُرِيدُ أَنْ يُخْرِجَكُمْ مِنْ أَرْضِكُمْ بِسِحْرِهِ فَمَاذَا تَأْمُرُونَ35
Hij tracht u door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?
قَالُوا أَرْجِهْ وَأَخَاهُ وَابْعَثْ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ36
Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.
يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَحَّارٍ عَلِيمٍ37
En tot u brengen alle behendige toovenaren.
فَجُمِعَ السَّحَرَةُ لِمِيقَاتِ يَوْمٍ مَعْلُومٍ38
Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.
وَقِيلَ لِلنَّاسِ هَلْ أَنْتُمْ مُجْتَمِعُونَ39
En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?
لَعَلَّنَا نَتَّبِعُ السَّحَرَةَ إِنْ كَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ40
Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.
فَلَمَّا جَاءَ السَّحَرَةُ قَالُوا لِفِرْعَوْنَ أَئِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِنْ كُنَّا نَحْنُ الْغَالِبِينَ41
Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?
قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ إِذًا لَمِنَ الْمُقَرَّبِينَ42
Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.
قَالَ لَهُمْ مُوسَىٰ أَلْقُوا مَا أَنْتُمْ مُلْقُونَ43
Mozes zeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.
فَأَلْقَوْا حِبَالَهُمْ وَعِصِيَّهُمْ وَقَالُوا بِعِزَّةِ فِرْعَوْنَ إِنَّا لَنَحْنُ الْغَالِبُونَ44
Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn.
فَأَلْقَىٰ مُوسَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ45
En Mozes wierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.
فَأُلْقِيَ السَّحَرَةُ سَاجِدِينَ46
Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder
قَالُوا آمَنَّا بِرَبِّ الْعَالَمِينَ47
En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.
رَبِّ مُوسَىٰ وَهَارُونَ48
De Heer van Mozes en Aäron.
قَالَ آمَنْتُمْ لَهُ قَبْلَ أَنْ آذَنَ لَكُمْ ۖ إِنَّهُ لَكَبِيرُكُمُ الَّذِي عَلَّمَكُمُ السِّحْرَ فَلَسَوْفَ تَعْلَمُونَ ۚ لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُمْ مِنْ خِلَافٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ49
Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.
قَالُوا لَا ضَيْرَ ۖ إِنَّا إِلَىٰ رَبِّنَا مُنْقَلِبُونَ50
Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.
إِنَّا نَطْمَعُ أَنْ يَغْفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطَايَانَا أَنْ كُنَّا أَوَّلَ الْمُؤْمِنِينَ51
Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben.
۞ وَأَوْحَيْنَا إِلَىٰ مُوسَىٰ أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِي إِنَّكُمْ مُتَّبَعُونَ52
En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.
فَأَرْسَلَ فِرْعَوْنُ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ53
En Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen
إِنَّ هَٰؤُلَاءِ لَشِرْذِمَةٌ قَلِيلُونَ54
Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.
وَإِنَّهُمْ لَنَا لَغَائِظُونَ55
En zij zijn verwoed op ons.
وَإِنَّا لَجَمِيعٌ حَاذِرُونَ56
Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.
فَأَخْرَجْنَاهُمْ مِنْ جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ57
Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,
وَكُنُوزٍ وَمَقَامٍ كَرِيمٍ58
Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.
كَذَٰلِكَ وَأَوْرَثْنَاهَا بَنِي إِسْرَائِيلَ59
Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven.
فَأَتْبَعُوهُمْ مُشْرِقِينَ60
En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon.
فَلَمَّا تَرَاءَى الْجَمْعَانِ قَالَ أَصْحَابُ مُوسَىٰ إِنَّا لَمُدْرَكُونَ61
En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.
قَالَ كَلَّا ۖ إِنَّ مَعِيَ رَبِّي سَيَهْدِينِ62
Mozes antwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.
فَأَوْحَيْنَا إِلَىٰ مُوسَىٰ أَنِ اضْرِبْ بِعَصَاكَ الْبَحْرَ ۖ فَانْفَلَقَ فَكَانَ كُلُّ فِرْقٍ كَالطَّوْدِ الْعَظِيمِ63
En wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.
وَأَزْلَفْنَا ثَمَّ الْآخَرِينَ64
En wij lieten de anderen naderen.
وَأَنْجَيْنَا مُوسَىٰ وَمَنْ مَعَهُ أَجْمَعِينَ65
En wij bevrijdden Mozes en allen die met hem waren.
ثُمَّ أَغْرَقْنَا الْآخَرِينَ66
Daarna verdronken wij de anderen.
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ67
Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ68
Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.
وَاتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ إِبْرَاهِيمَ69
En herinner hun de geschiedenis van Abraham.
إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَا تَعْبُدُونَ70
Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?
قَالُوا نَعْبُدُ أَصْنَامًا فَنَظَلُّ لَهَا عَاكِفِينَ71
Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.
قَالَ هَلْ يَسْمَعُونَكُمْ إِذْ تَدْعُونَ72
Abraham zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?
أَوْ يَنْفَعُونَكُمْ أَوْ يَضُرُّونَ73
Of bevoordeelen, noch deren zij u?
قَالُوا بَلْ وَجَدْنَا آبَاءَنَا كَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ74
Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.
قَالَ أَفَرَأَيْتُمْ مَا كُنْتُمْ تَعْبُدُونَ75
Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.
أَنْتُمْ وَآبَاؤُكُمُ الْأَقْدَمُونَ76
En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.
فَإِنَّهُمْ عَدُوٌّ لِي إِلَّا رَبَّ الْعَالَمِينَ77
Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.
الَّذِي خَلَقَنِي فَهُوَ يَهْدِينِ78
Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.
وَالَّذِي هُوَ يُطْعِمُنِي وَيَسْقِينِ79
En die mij geeft te eten en te drinken;
وَإِذَا مَرِضْتُ فَهُوَ يَشْفِينِ80
En die mij geneest als ik ziek ben;
وَالَّذِي يُمِيتُنِي ثُمَّ يُحْيِينِ81
En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.
وَالَّذِي أَطْمَعُ أَنْ يَغْفِرَ لِي خَطِيئَتِي يَوْمَ الدِّينِ82
En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.
رَبِّ هَبْ لِي حُكْمًا وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ83
O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.
وَاجْعَلْ لِي لِسَانَ صِدْقٍ فِي الْآخِرِينَ84
En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke;
وَاجْعَلْنِي مِنْ وَرَثَةِ جَنَّةِ النَّعِيمِ85
En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;
وَاغْفِرْ لِأَبِي إِنَّهُ كَانَ مِنَ الضَّالِّينَ86
En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord.
وَلَا تُخْزِنِي يَوْمَ يُبْعَثُونَ87
En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;
يَوْمَ لَا يَنْفَعُ مَالٌ وَلَا بَنُونَ88
Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.
إِلَّا مَنْ أَتَى اللَّهَ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ89
Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;
وَأُزْلِفَتِ الْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ90
Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.
وَبُرِّزَتِ الْجَحِيمُ لِلْغَاوِينَ91
En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;
وَقِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنْتُمْ تَعْبُدُونَ92
En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,
مِنْ دُونِ اللَّهِ هَلْ يَنْصُرُونَكُمْ أَوْ يَنْتَصِرُونَ93
Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?
فَكُبْكِبُوا فِيهَا هُمْ وَالْغَاوُونَ94
En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,
وَجُنُودُ إِبْلِيسَ أَجْمَعُونَ95
En het geheele heir van Eblis.
قَالُوا وَهُمْ فِيهَا يَخْتَصِمُونَ96
De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:
تَاللَّهِ إِنْ كُنَّا لَفِي ضَلَالٍ مُبِينٍ97
Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.
إِذْ نُسَوِّيكُمْ بِرَبِّ الْعَالَمِينَ98
Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.
وَمَا أَضَلَّنَا إِلَّا الْمُجْرِمُونَ99
De zondaren alleen hebben ons verleid.
فَمَا لَنَا مِنْ شَافِعِينَ100
Thans hebben wij geene tusschentreders.
وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٍ101
Noch eenigen vriend die voor ons zorgt. i
فَلَوْ أَنَّ لَنَا كَرَّةً فَنَكُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ102
Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ103
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ104
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
كَذَّبَتْ قَوْمُ نُوحٍ الْمُرْسَلِينَ105
Het volk van Noach beschuldigde Gods zendingen van bedrog.
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ نُوحٌ أَلَا تَتَّقُونَ106
Toen hun broeder Noach tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ107
Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ108
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ109
Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ110
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
۞ قَالُوا أَنُؤْمِنُ لَكَ وَاتَّبَعَكَ الْأَرْذَلُونَ111
Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?
قَالَ وَمَا عِلْمِي بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ112
Noach zeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden.
إِنْ حِسَابُهُمْ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّي ۖ لَوْ تَشْعُرُونَ113
Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!
وَمَا أَنَا بِطَارِدِ الْمُؤْمِنِينَ114
Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven.
إِنْ أَنَا إِلَّا نَذِيرٌ مُبِينٌ115
Ik ben slechts een openbaar prediker.
قَالُوا لَئِنْ لَمْ تَنْتَهِ يَا نُوحُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمَرْجُومِينَ116
Zij hernamen: Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.
قَالَ رَبِّ إِنَّ قَوْمِي كَذَّبُونِ117
Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.
فَافْتَحْ بَيْنِي وَبَيْنَهُمْ فَتْحًا وَنَجِّنِي وَمَنْ مَعِيَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ118
Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,
فَأَنْجَيْنَاهُ وَمَنْ مَعَهُ فِي الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ119
Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.
ثُمَّ أَغْرَقْنَا بَعْدُ الْبَاقِينَ120
En daarom verdronken wij de overigen.
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ121
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ122
Uw Heer is de machtige, de barmhartige,
كَذَّبَتْ عَادٌ الْمُرْسَلِينَ123
De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper van logen.
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ هُودٌ أَلَا تَتَّقُونَ124
Toen hun broeder Hud tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ125
Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ126
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ127
[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.
أَتَبْنُونَ بِكُلِّ رِيعٍ آيَةً تَعْبَثُونَ128
Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken?
وَتَتَّخِذُونَ مَصَانِعَ لَعَلَّكُمْ تَخْلُدُونَ129
En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig te bezitten?
وَإِذَا بَطَشْتُمْ بَطَشْتُمْ جَبَّارِينَ130
En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit.
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ131
Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij].
وَاتَّقُوا الَّذِي أَمَدَّكُمْ بِمَا تَعْلَمُونَ132
En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.
أَمَدَّكُمْ بِأَنْعَامٍ وَبَنِينَ133
Hij heeft u vee geschonken en kinderen;
وَجَنَّاتٍ وَعُيُونٍ134
إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ135
Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.
قَالُوا سَوَاءٌ عَلَيْنَا أَوَعَظْتَ أَمْ لَمْ تَكُنْ مِنَ الْوَاعِظِينَ136
Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.
إِنْ هَٰذَا إِلَّا خُلُقُ الْأَوَّلِينَ137
Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.
وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ138
Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.
فَكَذَّبُوهُ فَأَهْلَكْنَاهُمْ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ139
En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ140
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
كَذَّبَتْ ثَمُودُ الْمُرْسَلِينَ141
De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ صَالِحٌ أَلَا تَتَّقُونَ142
Toen hun broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ143
Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ144
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ145
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.
أَتُتْرَكُونَ فِي مَا هَاهُنَا آمِنِينَ146
Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,
فِي جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ147
Waaronder tuinen en fonteinen.
وَزُرُوعٍ وَنَخْلٍ طَلْعُهَا هَضِيمٌ148
En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?
وَتَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا فَارِهِينَ149
En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt?
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ150
Vreest God en gehoorzaamt mij.
وَلَا تُطِيعُوا أَمْرَ الْمُسْرِفِينَ151
En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.
الَّذِينَ يُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ152
Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.
قَالُوا إِنَّمَا أَنْتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ153
Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.
مَا أَنْتَ إِلَّا بَشَرٌ مِثْلُنَا فَأْتِ بِآيَةٍ إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ154
Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.
قَالَ هَٰذِهِ نَاقَةٌ لَهَا شِرْبٌ وَلَكُمْ شِرْبُ يَوْمٍ مَعْلُومٍ155
Saleh zeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag.
وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابُ يَوْمٍ عَظِيمٍ156
En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.
فَعَقَرُوهَا فَأَصْبَحُوا نَادِمِينَ157
Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.
فَأَخَذَهُمُ الْعَذَابُ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ158
Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ159
Uw Heer is de machtige, de genadige.
كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ الْمُرْسَلِينَ160
Het volk van Lot beschuldigde Gods boodschappers eveneens van bedrog.
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ لُوطٌ أَلَا تَتَّقُونَ161
Toen hun broeder Lot tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ162
Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ163
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ164
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.
أَتَأْتُونَ الذُّكْرَانَ مِنَ الْعَالَمِينَ165
Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.
وَتَذَرُونَ مَا خَلَقَ لَكُمْ رَبُّكُمْ مِنْ أَزْوَاجِكُمْ ۚ بَلْ أَنْتُمْ قَوْمٌ عَادُونَ166
En verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.
قَالُوا لَئِنْ لَمْ تَنْتَهِ يَا لُوطُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمُخْرَجِينَ167
Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, o Lot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.
قَالَ إِنِّي لِعَمَلِكُمْ مِنَ الْقَالِينَ168
Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.
رَبِّ نَجِّنِي وَأَهْلِي مِمَّا يَعْمَلُونَ169
O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.
فَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ أَجْمَعِينَ170
Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.
إِلَّا عَجُوزًا فِي الْغَابِرِينَ171
Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.
ثُمَّ دَمَّرْنَا الْآخَرِينَ172
Daarna verdelgden wij de overigen.
وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِمْ مَطَرًا ۖ فَسَاءَ مَطَرُ الْمُنْذَرِينَ173
En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ174
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ175
Uw Heer is de machtige, de genadige.
كَذَّبَ أَصْحَابُ الْأَيْكَةِ الْمُرْسَلِينَ176
Ook de bewoners van het woud beschuldigden Gods gezanten van bedrog.
إِذْ قَالَ لَهُمْ شُعَيْبٌ أَلَا تَتَّقُونَ177
Toen Shoaib tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ178
Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ179
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ180
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.
۞ أَوْفُوا الْكَيْلَ وَلَا تَكُونُوا مِنَ الْمُخْسِرِينَ181
Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.
وَزِنُوا بِالْقِسْطَاسِ الْمُسْتَقِيمِ182
En weegt met een gelijke weegschaal.
وَلَا تَبْخَسُوا النَّاسَ أَشْيَاءَهُمْ وَلَا تَعْثَوْا فِي الْأَرْضِ مُفْسِدِينَ183
En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.
وَاتَّقُوا الَّذِي خَلَقَكُمْ وَالْجِبِلَّةَ الْأَوَّلِينَ184
En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.
قَالُوا إِنَّمَا أَنْتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ185
Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.
وَمَا أَنْتَ إِلَّا بَشَرٌ مِثْلُنَا وَإِنْ نَظُنُّكَ لَمِنَ الْكَاذِبِينَ186
Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.
فَأَسْقِطْ عَلَيْنَا كِسَفًا مِنَ السَّمَاءِ إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ187
Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.
قَالَ رَبِّي أَعْلَمُ بِمَا تَعْمَلُونَ188
Shoaib zeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.
فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَهُمْ عَذَابُ يَوْمِ الظُّلَّةِ ۚ إِنَّهُ كَانَ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ189
En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk, en dit was de straf van den vreeselijken dag.
إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ190
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ191
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
وَإِنَّهُ لَتَنْزِيلُ رَبِّ الْعَالَمِينَ192
Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.
نَزَلَ بِهِ الرُّوحُ الْأَمِينُ193
Welke de getrouwe geest op uw hart heeft doen nederdalen.
عَلَىٰ قَلْبِكَ لِتَكُونَ مِنَ الْمُنْذِرِينَ194
Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,
بِلِسَانٍ عَرَبِيٍّ مُبِينٍ195
In de duidelijke Arabische taal.
وَإِنَّهُ لَفِي زُبُرِ الْأَوَّلِينَ196
Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.
أَوَلَمْ يَكُنْ لَهُمْ آيَةً أَنْ يَعْلَمَهُ عُلَمَاءُ بَنِي إِسْرَائِيلَ197
Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?
وَلَوْ نَزَّلْنَاهُ عَلَىٰ بَعْضِ الْأَعْجَمِينَ198
Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.
فَقَرَأَهُ عَلَيْهِمْ مَا كَانُوا بِهِ مُؤْمِنِينَ199
En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.
كَذَٰلِكَ سَلَكْنَاهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ200
Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.
لَا يُؤْمِنُونَ بِهِ حَتَّىٰ يَرَوُا الْعَذَابَ الْأَلِيمَ201
Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.
فَيَأْتِيَهُمْ بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ202
Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.
فَيَقُولُوا هَلْ نَحْنُ مُنْظَرُونَ203
En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?
أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ204
Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast?
أَفَرَأَيْتَ إِنْ مَتَّعْنَاهُمْ سِنِينَ205
Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.
ثُمَّ جَاءَهُمْ مَا كَانُوا يُوعَدُونَ206
En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.
مَا أَغْنَىٰ عَنْهُمْ مَا كَانُوا يُمَتَّعُونَ207
Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?
وَمَا أَهْلَكْنَا مِنْ قَرْيَةٍ إِلَّا لَهَا مُنْذِرُونَ208
Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.
ذِكْرَىٰ وَمَا كُنَّا ظَالِمِينَ209
Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.
وَمَا تَنَزَّلَتْ بِهِ الشَّيَاطِينُ210
De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;
وَمَا يَنْبَغِي لَهُمْ وَمَا يَسْتَطِيعُونَ211
Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.
إِنَّهُمْ عَنِ السَّمْعِ لَمَعْزُولُونَ212
Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren.
فَلَا تَدْعُ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ فَتَكُونَ مِنَ الْمُعَذَّبِينَ213
Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.
وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ214
En vermaan uwe naaste betrekkingen.
وَاخْفِضْ جَنَاحَكَ لِمَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ215
En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de ware geloovigen die u volgen.
فَإِنْ عَصَوْكَ فَقُلْ إِنِّي بَرِيءٌ مِمَّا تَعْمَلُونَ216
En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.
وَتَوَكَّلْ عَلَى الْعَزِيزِ الرَّحِيمِ217
En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.
الَّذِي يَرَاكَ حِينَ تَقُومُ218
Die u ziet als gij opstaat,
وَتَقَلُّبَكَ فِي السَّاجِدِينَ219
En uw gedrag onder hen die aanbidden;
إِنَّهُ هُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ220
Want hij ziet en hoort alles.
هَلْ أُنَبِّئُكُمْ عَلَىٰ مَنْ تَنَزَّلُ الشَّيَاطِينُ221
Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?
تَنَزَّلُ عَلَىٰ كُلِّ أَفَّاكٍ أَثِيمٍ222
Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon.
يُلْقُونَ السَّمْعَ وَأَكْثَرُهُمْ كَاذِبُونَ223
Zij leeren wat gehoord is geworden, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.
وَالشُّعَرَاءُ يَتَّبِعُهُمُ الْغَاوُونَ224
En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.
أَلَمْ تَرَ أَنَّهُمْ فِي كُلِّ وَادٍ يَهِيمُونَ225
Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen?
وَأَنَّهُمْ يَقُولُونَ مَا لَا يَفْعَلُونَ226
En dat zij zeggen, wat zij niet doen?
إِلَّا الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَذَكَرُوا اللَّهَ كَثِيرًا وَانْتَصَرُوا مِنْ بَعْدِ مَا ظُلِمُوا ۗ وَسَيَعْلَمُ الَّذِينَ ظَلَمُوا أَيَّ مُنْقَلَبٍ يَنْقَلِبُونَ227
Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken. En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.