Ash-Shu'ara

سورة الشعراء

Soera 26 · Mekkaans · 227 verzen

26:1Djoez 19 · p. 367

طسم1

T. S. M.
26:2Djoez 19 · p. 367

تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ الْمُبِينِ2

Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.
26:3Djoez 19 · p. 367

لَعَلَّكَ بَاخِعٌ نَفْسَكَ أَلَّا يَكُونُوا مُؤْمِنِينَ3

Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van Mekka niet geloovig willen worden.
26:4Djoez 19 · p. 367

إِنْ نَشَأْ نُنَزِّلْ عَلَيْهِمْ مِنَ السَّمَاءِ آيَةً فَظَلَّتْ أَعْنَاقُهُمْ لَهَا خَاضِعِينَ4

Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.
26:5Djoez 19 · p. 367

وَمَا يَأْتِيهِمْ مِنْ ذِكْرٍ مِنَ الرَّحْمَٰنِ مُحْدَثٍ إِلَّا كَانُوا عَنْهُ مُعْرِضِينَ5

Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.
26:6Djoez 19 · p. 367

فَقَدْ كَذَّبُوا فَسَيَأْتِيهِمْ أَنْبَاءُ مَا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ6

En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.
26:7Djoez 19 · p. 367

أَوَلَمْ يَرَوْا إِلَى الْأَرْضِ كَمْ أَنْبَتْنَا فِيهَا مِنْ كُلِّ زَوْجٍ كَرِيمٍ7

Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?
26:8Djoez 19 · p. 367

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ8

Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.
26:9Djoez 19 · p. 367

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ9

Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.
26:10Djoez 19 · p. 367

وَإِذْ نَادَىٰ رَبُّكَ مُوسَىٰ أَنِ ائْتِ الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ10

Herdenk, toen uw Heer Mozes riep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:
26:11Djoez 19 · p. 367

قَوْمَ فِرْعَوْنَ ۚ أَلَا يَتَّقُونَ11

Het volk van Pharao. Zullen zij mij niet vreezen?
26:12Djoez 19 · p. 367

قَالَ رَبِّ إِنِّي أَخَافُ أَنْ يُكَذِّبُونِ12

Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.
26:13Djoez 19 · p. 367

وَيَضِيقُ صَدْرِي وَلَا يَنْطَلِقُ لِسَانِي فَأَرْسِلْ إِلَىٰ هَارُونَ13

En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken; wijs Aäron dus aan om mijn helper te wezen.
26:14Djoez 19 · p. 367

وَلَهُمْ عَلَيَّ ذَنْبٌ فَأَخَافُ أَنْ يَقْتُلُونِ14

Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.
26:15Djoez 19 · p. 367

قَالَ كَلَّا ۖ فَاذْهَبَا بِآيَاتِنَا ۖ إِنَّا مَعَكُمْ مُسْتَمِعُونَ15

God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.
26:16Djoez 19 · p. 367

فَأْتِيَا فِرْعَوْنَ فَقُولَا إِنَّا رَسُولُ رَبِّ الْعَالَمِينَ16

Gaat dus tot Pharao en zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant van den Heer van alle schepselen.
26:17Djoez 19 · p. 367

أَنْ أَرْسِلْ مَعَنَا بَنِي إِسْرَائِيلَ17

Zend de kinderen Israëls met ons weg.
26:18Djoez 19 · p. 367

قَالَ أَلَمْ نُرَبِّكَ فِينَا وَلِيدًا وَلَبِثْتَ فِينَا مِنْ عُمُرِكَ سِنِينَ18

En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond?
26:19Djoez 19 · p. 367

وَفَعَلْتَ فَعْلَتَكَ الَّتِي فَعَلْتَ وَأَنْتَ مِنَ الْكَافِرِينَ19

Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.
26:20Djoez 19 · p. 368

قَالَ فَعَلْتُهَا إِذًا وَأَنَا مِنَ الضَّالِّينَ20

Mozes hernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden.
26:21Djoez 19 · p. 368

فَفَرَرْتُ مِنْكُمْ لَمَّا خِفْتُكُمْ فَوَهَبَ لِي رَبِّي حُكْمًا وَجَعَلَنِي مِنَ الْمُرْسَلِينَ21

Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.
26:22Djoez 19 · p. 368

وَتِلْكَ نِعْمَةٌ تَمُنُّهَا عَلَيَّ أَنْ عَبَّدْتَ بَنِي إِسْرَائِيلَ22

En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderen Israëls tot slaven maaktet?
26:23Djoez 19 · p. 368

قَالَ فِرْعَوْنُ وَمَا رَبُّ الْعَالَمِينَ23

Pharao zeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?
26:24Djoez 19 · p. 368

قَالَ رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ إِنْ كُنْتُمْ مُوقِنِينَ24

Mozes antwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.
26:25Djoez 19 · p. 368

قَالَ لِمَنْ حَوْلَهُ أَلَا تَسْتَمِعُونَ25

Pharao zeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?
26:26Djoez 19 · p. 368

قَالَ رَبُّكُمْ وَرَبُّ آبَائِكُمُ الْأَوَّلِينَ26

Mozes zeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.
26:27Djoez 19 · p. 368

قَالَ إِنَّ رَسُولَكُمُ الَّذِي أُرْسِلَ إِلَيْكُمْ لَمَجْنُونٌ27

Pharao zeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten.
26:28Djoez 19 · p. 368

قَالَ رَبُّ الْمَشْرِقِ وَالْمَغْرِبِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ إِنْ كُنْتُمْ تَعْقِلُونَ28

Mozes zeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.
26:29Djoez 19 · p. 368

قَالَ لَئِنِ اتَّخَذْتَ إِلَٰهًا غَيْرِي لَأَجْعَلَنَّكَ مِنَ الْمَسْجُونِينَ29

Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn.
26:30Djoez 19 · p. 368

قَالَ أَوَلَوْ جِئْتُكَ بِشَيْءٍ مُبِينٍ30

Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?
26:31Djoez 19 · p. 368

قَالَ فَأْتِ بِهِ إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ31

Pharao hernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.
26:32Djoez 19 · p. 368

فَأَلْقَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ ثُعْبَانٌ مُبِينٌ32

En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.
26:33Djoez 19 · p. 368

وَنَزَعَ يَدَهُ فَإِذَا هِيَ بَيْضَاءُ لِلنَّاظِرِينَ33

En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,
26:34Djoez 19 · p. 368

قَالَ لِلْمَلَإِ حَوْلَهُ إِنَّ هَٰذَا لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ34

Pharao zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.
26:35Djoez 19 · p. 368

يُرِيدُ أَنْ يُخْرِجَكُمْ مِنْ أَرْضِكُمْ بِسِحْرِهِ فَمَاذَا تَأْمُرُونَ35

Hij tracht u door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?
26:36Djoez 19 · p. 368

قَالُوا أَرْجِهْ وَأَخَاهُ وَابْعَثْ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ36

Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.
26:37Djoez 19 · p. 368

يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَحَّارٍ عَلِيمٍ37

En tot u brengen alle behendige toovenaren.
26:38Djoez 19 · p. 368

فَجُمِعَ السَّحَرَةُ لِمِيقَاتِ يَوْمٍ مَعْلُومٍ38

Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.
26:39Djoez 19 · p. 368

وَقِيلَ لِلنَّاسِ هَلْ أَنْتُمْ مُجْتَمِعُونَ39

En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?
26:40Djoez 19 · p. 369

لَعَلَّنَا نَتَّبِعُ السَّحَرَةَ إِنْ كَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ40

Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.
26:41Djoez 19 · p. 369

فَلَمَّا جَاءَ السَّحَرَةُ قَالُوا لِفِرْعَوْنَ أَئِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِنْ كُنَّا نَحْنُ الْغَالِبِينَ41

Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?
26:42Djoez 19 · p. 369

قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ إِذًا لَمِنَ الْمُقَرَّبِينَ42

Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.
26:43Djoez 19 · p. 369

قَالَ لَهُمْ مُوسَىٰ أَلْقُوا مَا أَنْتُمْ مُلْقُونَ43

Mozes zeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.
26:44Djoez 19 · p. 369

فَأَلْقَوْا حِبَالَهُمْ وَعِصِيَّهُمْ وَقَالُوا بِعِزَّةِ فِرْعَوْنَ إِنَّا لَنَحْنُ الْغَالِبُونَ44

Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn.
26:45Djoez 19 · p. 369

فَأَلْقَىٰ مُوسَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ45

En Mozes wierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.
26:46Djoez 19 · p. 369

فَأُلْقِيَ السَّحَرَةُ سَاجِدِينَ46

Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder
26:47Djoez 19 · p. 369

قَالُوا آمَنَّا بِرَبِّ الْعَالَمِينَ47

En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.
26:48Djoez 19 · p. 369

رَبِّ مُوسَىٰ وَهَارُونَ48

De Heer van Mozes en Aäron.
26:49Djoez 19 · p. 369

قَالَ آمَنْتُمْ لَهُ قَبْلَ أَنْ آذَنَ لَكُمْ ۖ إِنَّهُ لَكَبِيرُكُمُ الَّذِي عَلَّمَكُمُ السِّحْرَ فَلَسَوْفَ تَعْلَمُونَ ۚ لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُمْ مِنْ خِلَافٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ49

Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.
26:50Djoez 19 · p. 369

قَالُوا لَا ضَيْرَ ۖ إِنَّا إِلَىٰ رَبِّنَا مُنْقَلِبُونَ50

Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.
26:51Djoez 19 · p. 369

إِنَّا نَطْمَعُ أَنْ يَغْفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطَايَانَا أَنْ كُنَّا أَوَّلَ الْمُؤْمِنِينَ51

Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben.
26:52Djoez 19 · p. 369

۞ وَأَوْحَيْنَا إِلَىٰ مُوسَىٰ أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِي إِنَّكُمْ مُتَّبَعُونَ52

En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.
26:53Djoez 19 · p. 369

فَأَرْسَلَ فِرْعَوْنُ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ53

En Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen
26:54Djoez 19 · p. 369

إِنَّ هَٰؤُلَاءِ لَشِرْذِمَةٌ قَلِيلُونَ54

Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.
26:55Djoez 19 · p. 369

وَإِنَّهُمْ لَنَا لَغَائِظُونَ55

En zij zijn verwoed op ons.
26:56Djoez 19 · p. 369

وَإِنَّا لَجَمِيعٌ حَاذِرُونَ56

Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.
26:57Djoez 19 · p. 369

فَأَخْرَجْنَاهُمْ مِنْ جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ57

Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,
26:58Djoez 19 · p. 369

وَكُنُوزٍ وَمَقَامٍ كَرِيمٍ58

Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.
26:59Djoez 19 · p. 369

كَذَٰلِكَ وَأَوْرَثْنَاهَا بَنِي إِسْرَائِيلَ59

Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven.
26:60Djoez 19 · p. 369

فَأَتْبَعُوهُمْ مُشْرِقِينَ60

En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon.
26:61Djoez 19 · p. 370

فَلَمَّا تَرَاءَى الْجَمْعَانِ قَالَ أَصْحَابُ مُوسَىٰ إِنَّا لَمُدْرَكُونَ61

En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.
26:62Djoez 19 · p. 370

قَالَ كَلَّا ۖ إِنَّ مَعِيَ رَبِّي سَيَهْدِينِ62

Mozes antwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.
26:63Djoez 19 · p. 370

فَأَوْحَيْنَا إِلَىٰ مُوسَىٰ أَنِ اضْرِبْ بِعَصَاكَ الْبَحْرَ ۖ فَانْفَلَقَ فَكَانَ كُلُّ فِرْقٍ كَالطَّوْدِ الْعَظِيمِ63

En wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.
26:64Djoez 19 · p. 370

وَأَزْلَفْنَا ثَمَّ الْآخَرِينَ64

En wij lieten de anderen naderen.
26:65Djoez 19 · p. 370

وَأَنْجَيْنَا مُوسَىٰ وَمَنْ مَعَهُ أَجْمَعِينَ65

En wij bevrijdden Mozes en allen die met hem waren.
26:66Djoez 19 · p. 370

ثُمَّ أَغْرَقْنَا الْآخَرِينَ66

Daarna verdronken wij de anderen.
26:67Djoez 19 · p. 370

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ67

Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.
26:68Djoez 19 · p. 370

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ68

Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.
26:69Djoez 19 · p. 370

وَاتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ إِبْرَاهِيمَ69

En herinner hun de geschiedenis van Abraham.
26:70Djoez 19 · p. 370

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَا تَعْبُدُونَ70

Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?
26:71Djoez 19 · p. 370

قَالُوا نَعْبُدُ أَصْنَامًا فَنَظَلُّ لَهَا عَاكِفِينَ71

Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.
26:72Djoez 19 · p. 370

قَالَ هَلْ يَسْمَعُونَكُمْ إِذْ تَدْعُونَ72

Abraham zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?
26:73Djoez 19 · p. 370

أَوْ يَنْفَعُونَكُمْ أَوْ يَضُرُّونَ73

Of bevoordeelen, noch deren zij u?
26:74Djoez 19 · p. 370

قَالُوا بَلْ وَجَدْنَا آبَاءَنَا كَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ74

Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.
26:75Djoez 19 · p. 370

قَالَ أَفَرَأَيْتُمْ مَا كُنْتُمْ تَعْبُدُونَ75

Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.
26:76Djoez 19 · p. 370

أَنْتُمْ وَآبَاؤُكُمُ الْأَقْدَمُونَ76

En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.
26:77Djoez 19 · p. 370

فَإِنَّهُمْ عَدُوٌّ لِي إِلَّا رَبَّ الْعَالَمِينَ77

Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.
26:78Djoez 19 · p. 370

الَّذِي خَلَقَنِي فَهُوَ يَهْدِينِ78

Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.
26:79Djoez 19 · p. 370

وَالَّذِي هُوَ يُطْعِمُنِي وَيَسْقِينِ79

En die mij geeft te eten en te drinken;
26:81Djoez 19 · p. 370

وَالَّذِي يُمِيتُنِي ثُمَّ يُحْيِينِ81

En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.
26:82Djoez 19 · p. 370

وَالَّذِي أَطْمَعُ أَنْ يَغْفِرَ لِي خَطِيئَتِي يَوْمَ الدِّينِ82

En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.
26:83Djoez 19 · p. 370

رَبِّ هَبْ لِي حُكْمًا وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ83

O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.
26:84Djoez 19 · p. 371

وَاجْعَلْ لِي لِسَانَ صِدْقٍ فِي الْآخِرِينَ84

En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke;
26:85Djoez 19 · p. 371

وَاجْعَلْنِي مِنْ وَرَثَةِ جَنَّةِ النَّعِيمِ85

En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;
26:86Djoez 19 · p. 371

وَاغْفِرْ لِأَبِي إِنَّهُ كَانَ مِنَ الضَّالِّينَ86

En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord.
26:87Djoez 19 · p. 371

وَلَا تُخْزِنِي يَوْمَ يُبْعَثُونَ87

En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;
26:88Djoez 19 · p. 371

يَوْمَ لَا يَنْفَعُ مَالٌ وَلَا بَنُونَ88

Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.
26:89Djoez 19 · p. 371

إِلَّا مَنْ أَتَى اللَّهَ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ89

Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;
26:90Djoez 19 · p. 371

وَأُزْلِفَتِ الْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ90

Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.
26:91Djoez 19 · p. 371

وَبُرِّزَتِ الْجَحِيمُ لِلْغَاوِينَ91

En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;
26:92Djoez 19 · p. 371

وَقِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنْتُمْ تَعْبُدُونَ92

En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,
26:93Djoez 19 · p. 371

مِنْ دُونِ اللَّهِ هَلْ يَنْصُرُونَكُمْ أَوْ يَنْتَصِرُونَ93

Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?
26:94Djoez 19 · p. 371

فَكُبْكِبُوا فِيهَا هُمْ وَالْغَاوُونَ94

En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,
26:95Djoez 19 · p. 371

وَجُنُودُ إِبْلِيسَ أَجْمَعُونَ95

En het geheele heir van Eblis.
26:96Djoez 19 · p. 371

قَالُوا وَهُمْ فِيهَا يَخْتَصِمُونَ96

De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:
26:97Djoez 19 · p. 371

تَاللَّهِ إِنْ كُنَّا لَفِي ضَلَالٍ مُبِينٍ97

Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.
26:98Djoez 19 · p. 371

إِذْ نُسَوِّيكُمْ بِرَبِّ الْعَالَمِينَ98

Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.
26:99Djoez 19 · p. 371

وَمَا أَضَلَّنَا إِلَّا الْمُجْرِمُونَ99

De zondaren alleen hebben ons verleid.
26:100Djoez 19 · p. 371

فَمَا لَنَا مِنْ شَافِعِينَ100

Thans hebben wij geene tusschentreders.
26:101Djoez 19 · p. 371

وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٍ101

Noch eenigen vriend die voor ons zorgt. i
26:102Djoez 19 · p. 371

فَلَوْ أَنَّ لَنَا كَرَّةً فَنَكُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ102

Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.
26:103Djoez 19 · p. 371

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ103

Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.
26:104Djoez 19 · p. 371

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ104

Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
26:105Djoez 19 · p. 371

كَذَّبَتْ قَوْمُ نُوحٍ الْمُرْسَلِينَ105

Het volk van Noach beschuldigde Gods zendingen van bedrog.
26:106Djoez 19 · p. 371

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ نُوحٌ أَلَا تَتَّقُونَ106

Toen hun broeder Noach tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
26:107Djoez 19 · p. 371

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ107

Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.
26:108Djoez 19 · p. 371

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ108

Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
26:109Djoez 19 · p. 371

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ109

Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.
26:110Djoez 19 · p. 371

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ110

Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
26:111Djoez 19 · p. 371

۞ قَالُوا أَنُؤْمِنُ لَكَ وَاتَّبَعَكَ الْأَرْذَلُونَ111

Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?
26:112Djoez 19 · p. 372

قَالَ وَمَا عِلْمِي بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ112

Noach zeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden.
26:113Djoez 19 · p. 372

إِنْ حِسَابُهُمْ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّي ۖ لَوْ تَشْعُرُونَ113

Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!
26:114Djoez 19 · p. 372

وَمَا أَنَا بِطَارِدِ الْمُؤْمِنِينَ114

Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven.
26:115Djoez 19 · p. 372

إِنْ أَنَا إِلَّا نَذِيرٌ مُبِينٌ115

Ik ben slechts een openbaar prediker.
26:116Djoez 19 · p. 372

قَالُوا لَئِنْ لَمْ تَنْتَهِ يَا نُوحُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمَرْجُومِينَ116

Zij hernamen: Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.
26:117Djoez 19 · p. 372

قَالَ رَبِّ إِنَّ قَوْمِي كَذَّبُونِ117

Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.
26:118Djoez 19 · p. 372

فَافْتَحْ بَيْنِي وَبَيْنَهُمْ فَتْحًا وَنَجِّنِي وَمَنْ مَعِيَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ118

Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,
26:119Djoez 19 · p. 372

فَأَنْجَيْنَاهُ وَمَنْ مَعَهُ فِي الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ119

Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.
26:120Djoez 19 · p. 372

ثُمَّ أَغْرَقْنَا بَعْدُ الْبَاقِينَ120

En daarom verdronken wij de overigen.
26:121Djoez 19 · p. 372

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ121

Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
26:122Djoez 19 · p. 372

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ122

Uw Heer is de machtige, de barmhartige,
26:123Djoez 19 · p. 372

كَذَّبَتْ عَادٌ الْمُرْسَلِينَ123

De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper van logen.
26:124Djoez 19 · p. 372

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ هُودٌ أَلَا تَتَّقُونَ124

Toen hun broeder Hud tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
26:125Djoez 19 · p. 372

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ125

Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.
26:126Djoez 19 · p. 372

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ126

Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
26:127Djoez 19 · p. 372

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ127

[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.
26:128Djoez 19 · p. 372

أَتَبْنُونَ بِكُلِّ رِيعٍ آيَةً تَعْبَثُونَ128

Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken?
26:129Djoez 19 · p. 372

وَتَتَّخِذُونَ مَصَانِعَ لَعَلَّكُمْ تَخْلُدُونَ129

En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig te bezitten?
26:130Djoez 19 · p. 372

وَإِذَا بَطَشْتُمْ بَطَشْتُمْ جَبَّارِينَ130

En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit.
26:131Djoez 19 · p. 372

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ131

Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij].
26:132Djoez 19 · p. 372

وَاتَّقُوا الَّذِي أَمَدَّكُمْ بِمَا تَعْلَمُونَ132

En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.
26:133Djoez 19 · p. 372

أَمَدَّكُمْ بِأَنْعَامٍ وَبَنِينَ133

Hij heeft u vee geschonken en kinderen;
26:134Djoez 19 · p. 372

وَجَنَّاتٍ وَعُيُونٍ134

En tuinen en fonteinen.
26:135Djoez 19 · p. 372

إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ135

Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.
26:136Djoez 19 · p. 372

قَالُوا سَوَاءٌ عَلَيْنَا أَوَعَظْتَ أَمْ لَمْ تَكُنْ مِنَ الْوَاعِظِينَ136

Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.
26:137Djoez 19 · p. 373

إِنْ هَٰذَا إِلَّا خُلُقُ الْأَوَّلِينَ137

Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.
26:138Djoez 19 · p. 373

وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ138

Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.
26:139Djoez 19 · p. 373

فَكَذَّبُوهُ فَأَهْلَكْنَاهُمْ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ139

En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
26:140Djoez 19 · p. 373

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ140

Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
26:141Djoez 19 · p. 373

كَذَّبَتْ ثَمُودُ الْمُرْسَلِينَ141

De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.
26:142Djoez 19 · p. 373

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ صَالِحٌ أَلَا تَتَّقُونَ142

Toen hun broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
26:143Djoez 19 · p. 373

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ143

Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.
26:144Djoez 19 · p. 373

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ144

Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
26:145Djoez 19 · p. 373

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ145

Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.
26:146Djoez 19 · p. 373

أَتُتْرَكُونَ فِي مَا هَاهُنَا آمِنِينَ146

Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,
26:147Djoez 19 · p. 373

فِي جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ147

Waaronder tuinen en fonteinen.
26:148Djoez 19 · p. 373

وَزُرُوعٍ وَنَخْلٍ طَلْعُهَا هَضِيمٌ148

En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?
26:149Djoez 19 · p. 373

وَتَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا فَارِهِينَ149

En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt?
26:150Djoez 19 · p. 373

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ150

Vreest God en gehoorzaamt mij.
26:151Djoez 19 · p. 373

وَلَا تُطِيعُوا أَمْرَ الْمُسْرِفِينَ151

En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.
26:152Djoez 19 · p. 373

الَّذِينَ يُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ152

Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.
26:153Djoez 19 · p. 373

قَالُوا إِنَّمَا أَنْتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ153

Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.
26:154Djoez 19 · p. 373

مَا أَنْتَ إِلَّا بَشَرٌ مِثْلُنَا فَأْتِ بِآيَةٍ إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ154

Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.
26:155Djoez 19 · p. 373

قَالَ هَٰذِهِ نَاقَةٌ لَهَا شِرْبٌ وَلَكُمْ شِرْبُ يَوْمٍ مَعْلُومٍ155

Saleh zeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag.
26:156Djoez 19 · p. 373

وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابُ يَوْمٍ عَظِيمٍ156

En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.
26:157Djoez 19 · p. 373

فَعَقَرُوهَا فَأَصْبَحُوا نَادِمِينَ157

Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.
26:158Djoez 19 · p. 373

فَأَخَذَهُمُ الْعَذَابُ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ158

Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.
26:159Djoez 19 · p. 373

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ159

Uw Heer is de machtige, de genadige.
26:160Djoez 19 · p. 374

كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ الْمُرْسَلِينَ160

Het volk van Lot beschuldigde Gods boodschappers eveneens van bedrog.
26:161Djoez 19 · p. 374

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ لُوطٌ أَلَا تَتَّقُونَ161

Toen hun broeder Lot tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
26:162Djoez 19 · p. 374

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ162

Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.
26:163Djoez 19 · p. 374

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ163

Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
26:164Djoez 19 · p. 374

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ164

Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.
26:165Djoez 19 · p. 374

أَتَأْتُونَ الذُّكْرَانَ مِنَ الْعَالَمِينَ165

Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.
26:166Djoez 19 · p. 374

وَتَذَرُونَ مَا خَلَقَ لَكُمْ رَبُّكُمْ مِنْ أَزْوَاجِكُمْ ۚ بَلْ أَنْتُمْ قَوْمٌ عَادُونَ166

En verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.
26:167Djoez 19 · p. 374

قَالُوا لَئِنْ لَمْ تَنْتَهِ يَا لُوطُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمُخْرَجِينَ167

Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, o Lot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.
26:168Djoez 19 · p. 374

قَالَ إِنِّي لِعَمَلِكُمْ مِنَ الْقَالِينَ168

Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.
26:169Djoez 19 · p. 374

رَبِّ نَجِّنِي وَأَهْلِي مِمَّا يَعْمَلُونَ169

O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.
26:170Djoez 19 · p. 374

فَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ أَجْمَعِينَ170

Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.
26:171Djoez 19 · p. 374

إِلَّا عَجُوزًا فِي الْغَابِرِينَ171

Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.
26:172Djoez 19 · p. 374

ثُمَّ دَمَّرْنَا الْآخَرِينَ172

Daarna verdelgden wij de overigen.
26:173Djoez 19 · p. 374

وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِمْ مَطَرًا ۖ فَسَاءَ مَطَرُ الْمُنْذَرِينَ173

En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.
26:174Djoez 19 · p. 374

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ174

Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
26:175Djoez 19 · p. 374

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ175

Uw Heer is de machtige, de genadige.
26:176Djoez 19 · p. 374

كَذَّبَ أَصْحَابُ الْأَيْكَةِ الْمُرْسَلِينَ176

Ook de bewoners van het woud beschuldigden Gods gezanten van bedrog.
26:177Djoez 19 · p. 374

إِذْ قَالَ لَهُمْ شُعَيْبٌ أَلَا تَتَّقُونَ177

Toen Shoaib tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
26:178Djoez 19 · p. 374

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ178

Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.
26:179Djoez 19 · p. 374

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ179

Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
26:180Djoez 19 · p. 374

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ180

Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.
26:181Djoez 19 · p. 374

۞ أَوْفُوا الْكَيْلَ وَلَا تَكُونُوا مِنَ الْمُخْسِرِينَ181

Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.
26:182Djoez 19 · p. 374

وَزِنُوا بِالْقِسْطَاسِ الْمُسْتَقِيمِ182

En weegt met een gelijke weegschaal.
26:183Djoez 19 · p. 374

وَلَا تَبْخَسُوا النَّاسَ أَشْيَاءَهُمْ وَلَا تَعْثَوْا فِي الْأَرْضِ مُفْسِدِينَ183

En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.
26:184Djoez 19 · p. 375

وَاتَّقُوا الَّذِي خَلَقَكُمْ وَالْجِبِلَّةَ الْأَوَّلِينَ184

En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.
26:185Djoez 19 · p. 375

قَالُوا إِنَّمَا أَنْتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ185

Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.
26:186Djoez 19 · p. 375

وَمَا أَنْتَ إِلَّا بَشَرٌ مِثْلُنَا وَإِنْ نَظُنُّكَ لَمِنَ الْكَاذِبِينَ186

Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.
26:187Djoez 19 · p. 375

فَأَسْقِطْ عَلَيْنَا كِسَفًا مِنَ السَّمَاءِ إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ187

Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.
26:188Djoez 19 · p. 375

قَالَ رَبِّي أَعْلَمُ بِمَا تَعْمَلُونَ188

Shoaib zeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.
26:189Djoez 19 · p. 375

فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَهُمْ عَذَابُ يَوْمِ الظُّلَّةِ ۚ إِنَّهُ كَانَ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ189

En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk, en dit was de straf van den vreeselijken dag.
26:190Djoez 19 · p. 375

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ190

Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.
26:191Djoez 19 · p. 375

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ191

Uw Heer is de machtige, de barmhartige.
26:192Djoez 19 · p. 375

وَإِنَّهُ لَتَنْزِيلُ رَبِّ الْعَالَمِينَ192

Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.
26:193Djoez 19 · p. 375

نَزَلَ بِهِ الرُّوحُ الْأَمِينُ193

Welke de getrouwe geest op uw hart heeft doen nederdalen.
26:194Djoez 19 · p. 375

عَلَىٰ قَلْبِكَ لِتَكُونَ مِنَ الْمُنْذِرِينَ194

Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,
26:195Djoez 19 · p. 375

بِلِسَانٍ عَرَبِيٍّ مُبِينٍ195

In de duidelijke Arabische taal.
26:196Djoez 19 · p. 375

وَإِنَّهُ لَفِي زُبُرِ الْأَوَّلِينَ196

Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.
26:197Djoez 19 · p. 375

أَوَلَمْ يَكُنْ لَهُمْ آيَةً أَنْ يَعْلَمَهُ عُلَمَاءُ بَنِي إِسْرَائِيلَ197

Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?
26:198Djoez 19 · p. 375

وَلَوْ نَزَّلْنَاهُ عَلَىٰ بَعْضِ الْأَعْجَمِينَ198

Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.
26:199Djoez 19 · p. 375

فَقَرَأَهُ عَلَيْهِمْ مَا كَانُوا بِهِ مُؤْمِنِينَ199

En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.
26:200Djoez 19 · p. 375

كَذَٰلِكَ سَلَكْنَاهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ200

Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.
26:201Djoez 19 · p. 375

لَا يُؤْمِنُونَ بِهِ حَتَّىٰ يَرَوُا الْعَذَابَ الْأَلِيمَ201

Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.
26:202Djoez 19 · p. 375

فَيَأْتِيَهُمْ بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ202

Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.
26:203Djoez 19 · p. 375

فَيَقُولُوا هَلْ نَحْنُ مُنْظَرُونَ203

En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?
26:204Djoez 19 · p. 375

أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ204

Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast?
26:205Djoez 19 · p. 375

أَفَرَأَيْتَ إِنْ مَتَّعْنَاهُمْ سِنِينَ205

Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.
26:206Djoez 19 · p. 375

ثُمَّ جَاءَهُمْ مَا كَانُوا يُوعَدُونَ206

En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.
26:207Djoez 19 · p. 376

مَا أَغْنَىٰ عَنْهُمْ مَا كَانُوا يُمَتَّعُونَ207

Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?
26:208Djoez 19 · p. 376

وَمَا أَهْلَكْنَا مِنْ قَرْيَةٍ إِلَّا لَهَا مُنْذِرُونَ208

Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.
26:209Djoez 19 · p. 376

ذِكْرَىٰ وَمَا كُنَّا ظَالِمِينَ209

Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.
26:210Djoez 19 · p. 376

وَمَا تَنَزَّلَتْ بِهِ الشَّيَاطِينُ210

De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;
26:211Djoez 19 · p. 376

وَمَا يَنْبَغِي لَهُمْ وَمَا يَسْتَطِيعُونَ211

Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.
26:212Djoez 19 · p. 376

إِنَّهُمْ عَنِ السَّمْعِ لَمَعْزُولُونَ212

Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren.
26:213Djoez 19 · p. 376

فَلَا تَدْعُ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ فَتَكُونَ مِنَ الْمُعَذَّبِينَ213

Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.
26:214Djoez 19 · p. 376

وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ214

En vermaan uwe naaste betrekkingen.
26:215Djoez 19 · p. 376

وَاخْفِضْ جَنَاحَكَ لِمَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ215

En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de ware geloovigen die u volgen.
26:216Djoez 19 · p. 376

فَإِنْ عَصَوْكَ فَقُلْ إِنِّي بَرِيءٌ مِمَّا تَعْمَلُونَ216

En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.
26:217Djoez 19 · p. 376

وَتَوَكَّلْ عَلَى الْعَزِيزِ الرَّحِيمِ217

En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.
26:218Djoez 19 · p. 376

الَّذِي يَرَاكَ حِينَ تَقُومُ218

Die u ziet als gij opstaat,
26:219Djoez 19 · p. 376

وَتَقَلُّبَكَ فِي السَّاجِدِينَ219

En uw gedrag onder hen die aanbidden;
26:220Djoez 19 · p. 376

إِنَّهُ هُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ220

Want hij ziet en hoort alles.
26:221Djoez 19 · p. 376

هَلْ أُنَبِّئُكُمْ عَلَىٰ مَنْ تَنَزَّلُ الشَّيَاطِينُ221

Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?
26:222Djoez 19 · p. 376

تَنَزَّلُ عَلَىٰ كُلِّ أَفَّاكٍ أَثِيمٍ222

Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon.
26:223Djoez 19 · p. 376

يُلْقُونَ السَّمْعَ وَأَكْثَرُهُمْ كَاذِبُونَ223

Zij leeren wat gehoord is geworden, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.
26:224Djoez 19 · p. 376

وَالشُّعَرَاءُ يَتَّبِعُهُمُ الْغَاوُونَ224

En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.
26:225Djoez 19 · p. 376

أَلَمْ تَرَ أَنَّهُمْ فِي كُلِّ وَادٍ يَهِيمُونَ225

Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen?
26:226Djoez 19 · p. 376

وَأَنَّهُمْ يَقُولُونَ مَا لَا يَفْعَلُونَ226

En dat zij zeggen, wat zij niet doen?
26:227Djoez 19 · p. 376

إِلَّا الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَذَكَرُوا اللَّهَ كَثِيرًا وَانْتَصَرُوا مِنْ بَعْدِ مَا ظُلِمُوا ۗ وَسَيَعْلَمُ الَّذِينَ ظَلَمُوا أَيَّ مُنْقَلَبٍ يَنْقَلِبُونَ227

Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken. En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.

Afspelen vanaf het begin van de soera